Ik las "WAAR IK ME VOOR SCHAAM, Over zwijgen en het doorgeven van schuld" van Sheila Sitalsing, De Bezige Bij Amsterdam, 2025.
Het betreft een typisch voorbeeld van geschriften die ontkennen dat de na de Duitse bezetting in Nederland gerealiseerde Bijzondere Rechtspleging heeft geleid tot vergelding van schuld. Alle elementen van de naoorlogse ongunstige stereotypering van ex-NSB'ers zijn dan ook volledig aanwezig. Sitalsing neemt voornamelijk kennis van door vergaande ongunstige stereotypering gekenmerkte pogingen tot geschiedschrijving, en vervolgens laat ze haar interpretatie van het verleden daar vrijwel uitsluitend door bepalen.
De in de jaren 1920 en 1930 heersende "angst voor het communisme" valt daarom volgens haar voor de Nederlandse nationaal-socialisten, in navolging van de Duitse, uitsluitend samen met "Joodse samenzwering". Op p. 80 volgt zij TeSlaa/Klijn:"In 1935 zette de radicalisering voort en koos de [NSB] volledig voor het nazisme". Dat Mussert afstand nam van Kristallnacht in 1938 komt hier dus niet aan de orde. Zij gebruikt in dit verband voor de mensen die enige nuancering proberen aan te brengen in het beeld van het verleden, termen als "...ontkenning..." (p. 138). Dat wil zeggen terminologie die standaard gebruikt wordt voor denkbeelden van Holocaust-ontkenners.
De oorzaak van dit interpreteren wordt bepaald door het gegeven dat haar opa en oma voorafgaand aan 1945 actief lid waren van de NSB. Opa was penningmeester van het district Den Haag van de NSB. Ook kreeg hij de rang "adjudant" van de districtsleider van Zuid-Holland. Oma werd na de bezetting weliswaar enige tijd geinterneerd in het naoorlogse Westerbork, maar werd al snel zonder juridische procedure ontslagen. En, aangezien er geen verdere rechtspraak heeft plaatsgevonden, mogen we ervan uitgaan, dat oma niet als "schuldig" aangemerkt kan worden. Opa kreeg vijf jaar detentie wegens collaboratie met de vijand en wegens het profijt dat hij heeft getrokken uit zijn "landverraad". Opa werd dus veroordeeld, gestraft, en als gevolg daarvan kan zijn schuld als vergolden worden begrepen. Desalniettemin blijft Sitalsing het hele boek door spreken van de schuld van opa en oma zonder daar enig nuancerend aspect aan toe te voegen. Vooral opa krijgt er van langs: hij is via foute vrienden lid van de NSB geworden. Maar opa was, voorzover ik dat hier kan nagaan, geen lid of sympathiserend lid van de Nederlandse-SS. Ik beweer niet dat er geen sprake was van antisemitisme in de NSB, maar het is wel van belang erop te wijzen dat antisemitisme niet noodzakelijk hoeft samen te gaan met genocide. Over de onbekendheid in Nederland met de voltrokken genocide (zie 'Wij weten niets van hun lot' - Gewone Nederlanders en de Holocaust - Bart van der Boom; Boom Amsterdam; 2012) lees ik hier niets. Dat NSB'ers op de hoogte waren van de genocide, is uit niets af te leiden.
Sitalsing baseert zich vrijwel uitsluitend op de ("minutieuze" p. 67) boeken over de NSB van TeSlaa en Klijn. Zij neemt vrijwel geen kennis van andere visies op het verleden. Dat er een essentieel verschil bestond tussen de opvattingen van de Mussert-meerderheidsfractie en de Nederlandse-SS, is haar onbekend. Ik denk dat dit voornamelijk komt omdat TeSlaa/Klijn zich nog nauwelijks met de bezettingsperiode hebben beziggehouden, en voorzover dat wel het geval is, daar veel onterechte dingen over beweren (zie De Omdraaiing Van Het Schuldperspectief - D. Kampman - Uitgeverida; 2019).
Met de naoorlogse ambtelijke gegevens (zie Belinfante; In Plaats Van Bijltjesdag; 1978) over de uitkomsten van de Bijzonder Rechtspleging is Sitalsing niet bekend. Ook TeSlaa en Klijn houden zich daarmee niet bezig.
Dat de NSB een officiele grondwettelijke en kiesrechtelijke Nederlandse politieke partij was, is Sitalsing kennelijk onbekend. Nederlanders konden daarop gewoon hun stem uitbrengen. We zijn het daar nu misschien niet meer mee eens, maar dat wil niet zeggen dat Nederlanders dat recht niet hadden.
Sitalsing spreekt wel over de strukturele voorgeschiedenis van de deportaties: arierverklaring; de verdere rol van de ambtenaren; de rol van de politie. Maar zij doet het toch voorkomen alsof de NSB de hoofdschuldige is aan al deze aangelegenheden, terwijl uit de geschiedschrijving die tot op heden heeft plaatsgevonden afgeleid kan worden dat de NSB een betrekkelijk ondergeschikte rol in de bezettingsperiode heeft gehad. De Groot-Nederlandse gedachte bij Mussert (wat nu zo ongeveer de Benelux is) viel heel slecht bij de bezetter en zijn Duitse machtstop.
Opa en oma blijven het centrum van Sitalsings woede in haar emotiegolven rond de streng gekritiseerde foute Nederlanders en de tamelijk vriendelijk behandelde kinderen-van-foute-ouders. Concluderend sluit zij aan op datgene wat in onze tijden aan de orde is: een versterking van het rechtse denken. Maar dat de openbaarmaking van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) op zich al een vorm van rechts denken is, komt hier niet aan de orde.