DE OMDRAAIING VAN HET SCHULDPERSPECTIEF - EEN SAMENVATTING

ISBN 978-90-73947-19-1; 2019; Euro 25,-

 Onderzocht werd wat collaboratie tijdens de bezetting 1940-1945 nu eigenlijk inhoudt. Meer inzicht was noodzakelijk. Collaboratie is veel complexer gebleken dan alleen weergegeven wordt met de termen ‘goed en fout’. Heel verduidelijkend bleken de termen ‘communicaties’ en ‘interorganisationele ruiltransacties’. Nadere beschouwing van de NSB, die in een tijdsgebonden context is ontstaan, maakt zichtbaar dat er binnen de NSB grote verschillen bestonden tussen fracties en geledingen, die in de periode 1940-1945 elk een eigen verhouding hadden tot de bezetter.

Aan mijn eerdere onderzoeken ontbrak een belangrijk element, namelijk de gevolgen van de ondertekening van de ariër- verklaring. De ariërverklaring bleek ook een vorm van collaboreren.

Een spil in de Nederlandse geschiedschrijving over de collaboratie is de inaugurele rede van Blom: “De ban van goed en fout? Wetenschappelijke geschiedschrijving over de bezettingstijd in Nederland” (Blom 1983; opgenomen in Blom - 2007). Voorafgaand daaraan was er al geschiedschrijving gepleegd door onder meer Presser, De Jong, A.A.de Jonge, In’tVeld. Maar wat Blom voorstelde te onderzoeken was of er waarde- overheersing van het ‘goede’ ten opzichte van het ‘foute’ bestond.

Na Blom splijt de geschiedschrijving ten aanzien van de collaboratie zich in tenminste twee delen: een verheviging van de fout-etikettering (onder meer Romijn, Ultee, Luykx, Croes, Tammes, Te Slaa/Klijn, Van Liempt) tegenover pogingen tot nuancering (Diederichs, Matthée, Van der Heijden). De behoefte aan maatschappelijke erkenning van leed in de kring van kinderen-van-foute-ouders leidde in de periode na 1983 tot een kritische onderstroom (romans, studies over hulpverlening, beschrijvingen van de bijzondere rechtspleging, onrecht-casussen en onderzoek naar beeldvorming). Deze onderstroom kreeg weinig aandacht en werd maatschappelijk gekanaliseerd in voornamelijk psychische hulpverlening.

De na Blom constateerbare splitsing sloot aan bij en kreeg maatschappelijk de vorm van zich uitdrukkelijk manifesterende emotionele en ideologische attituden. Op basis daarvan heb ik in 2015 al het idee geopperd van het bestaan van ideo-emotionele systemen. Het gaat hier vooral om een verklaringsmodel van de houding van de geschiedschrijvers. Het geeft aan hoe moeilijk het kennelijk zelfs voor wetenschappers is om eigen posities te onderkennen en tot neutrale en zo plausibel mogelijke visies te komen. In de voorliggende tekst zijn de ideo-emotionele systemen opnieuw een rol gaan spelen. Daarmee probeer ik door een rationele benadering van wat bekend is over verschillende vormen van collaboratie tot een overstijging te komen van ideologische en emotionele attitudes.

Verder heb ik antwoord gezocht op de vraag waar de verantwoordelijkheid lag voor bepaalde daden. Die verantwoordelijkheid lag veelal bij de Duitse bezetter, bij het College van Secretarissen-Generaal, bij de Nederlandse ambtenaren en bij de Nederlandse SS. Soms lag er enige verantwoordelijkheid bij de leiding van de NSB, of tenslotte in een beperkt aantal gevallen bij de leden van de NSB. Van groot belang zijn de beschikbare cijfers. Zij zijn de enige mogelijkheid om zicht te krijgen op de omvang van daadwerkelijke vergrijpen en delicten van de NSB en van de NSB’ers. De uitwerking van de aantallen maakt duidelijk dat op basis van circa 100.000 Nederlandse nationaalsocialisten ongeveer 7% zwaar gestraft is. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen de gematigder Mussert-aanhangers en de Nederlandse SS’ers. Uit de aannamen, schattingen en berekeningen komen de volgende percentages voor de Nederlandse nationaalsocialisten naar voren:
• 36,5% na een onbekende duur van het voorarrest zonder enige rechtsgang ontslagen NSB’ers.
• 13% zeer licht bestrafte c.q. vrijgesproken NSB’ers
• 43,5% voor de tijd van het voorarrest licht bestrafte NSB’ers
• 2,2% zwaarbestrafte Nederlandse nationaalsocialisten die tot de Mussert-meerderheidsfractie gerekend kunnen worden
• 4,8% zwaarbestraften Nederlandse nationaalsocialisten die onder de bezetter opereerden

De 4,8% zwaarbestraften die onder de bezetter opereerden (dat wil zeggen circa 4800 veroordeelden) vallen vermoedelijk toe aan circa 8% van de Nederlandse nationaalsocialisten, namelijk de Nederlandse SS van circa 8.000 personen (inclusief de sympathiserende leden).

De 2,2% zwaarbestraften onder de ideologisch en organisatorisch gebonden NSB’ers (dat wil zeggen de overige circa 2200 veroordeelden) vallen vermoedelijk toe aan circa 92% van de Nederlandse nationaalsocialisten die gerekend kunnen worden tot de Mussert-meerderheidsfractie, dat wil zeggen aan circa 92.000 personen. Het merendeel van de bestrafte activiteiten kan begrepen worden als politieke activiteiten binnen het kader van het Nederlandse nationaalsocialisme. Verraad, arrestaties, geweldsmisdrijven voorzover die aan deze categorie toevallen, werden vrijwel zeker niet in opdracht van de NSB als organisatie verricht.

Deze cijfers geven aan, dat van de Mussertmeerderheidsfractie circa 2,4% zwaar bestraft is. Van de Nederlandse SS is circa 60% zwaar bestraft.

Wat de afhandeling van de rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog betreft is van groot belang dat schuld door straf teniet werd gedaan. Dit wil ook zeggen dat er op dit moment, met uitzondering van de collaboratie op het terrein van de ariërverklaring, geen schuld meer bestaat ten aanzien van mogelijk bestraf- baar gedrag uit de Tweede Wereldoorlog.

Ik meen dat uit mijn onderzoeken van 2011, 2015 en het voorliggende onderzoek een nieuw geschiedenisinzicht kan worden afgeleid. Dat ziet er globaal als volgt uit:
De NSB had in de jaren 1930 het grondwettelijke recht op een eigen politieke mening, en nam deel aan de volksvertegenwoordigende lichamen. Dat staat los van de vraag of we het daar nu mee eens kunnen zijn. Dat recht op die eigen mening bleef ook in de periode 1940-1945 bestaan, maar werd wel sterk door nieuwe omstandigheden bepaald. De NSB ontketende de Tweede Wereldoorlog niet. De NSB had geen vijfde-colonne-functie. Na het uitwijken van staatshoofd en regering in mei 1940, konden Nederlanders per definitie geen landverrader meer zijn. De NSB was in de jaren 1930 gematigd antisemitisch en bleef dat gedurende de bezettingsperiode, zoals dat vermoedelijk ook gold voor de grote meerderheid van de Nederlandse bevolking. De radicale fractievorming in de NSB in de jaren 1930, die overging in de tijdens de bezetting door de bezetter binnen de NSB opgerichte Nederlandse SS, viel samen met extremere politieke posities dan gold voor de Mussert-meerderheidsfractie. De ariërverklaring die het College van Secretarissen-Generaal de Nederlandse ambtenaren liet ondertekenen, betrof massale collaboratie en gaf de start aan van het segregatiebeleid en de latere deportaties. De NSB stond niet aan de wieg van het segregatiebeleid in de bezettingsperiode. De NSB was niet betrokken bij deportaties. De NSB trad niet op als opdrachtgever voor misdaden tegen de menselijkheid. Opdrachtgever was steeds de bezetter. De naoorlogse bijzondere rechtspleging was ongrondwettig. De naoorlogse doodstraffen waren onwettig. De schuld van mogelijke misdaden begaan tijdens de bezetting 1940-1945 is door de toepassing van een bijzondere rechtspleging deels teniet gedaan. Dit geldt immers niet voor de schuld die voortvloeide uit de ondertekening van de ariërverklaring.