ISBN 978-90-73947-18-4; 2019 ; Euro 25,-
Deze kritische beschouwingen bevatten de uitkomst van een onderzoek naar ongunstige beeldvorming in de Nederlandse geschiedschrijving ten aanzien van de collaboratie tijdens de bezettingsperiode 1940-1945. Gezien het ontsluitende karakter van het onderzoek, en gezien de complexe geschiedkundige vorm van het materiaal was het steeds nodig het onderzoeks-materiaal in de tekstlocatie te beoordelen op inherente verbanden. Op diverse plaatsen werden onjuistheden in de geschiedschrijving ten aanzien van de Nederlandse collaboratie in de Tweede Wereldoorlog aangetroffen.
De indicator kennisonrechtvaardigheid is in hoofstuk 1 (Theoretische kader en opzet van het onderzoek) uitgewerkt naar meerdere mogelijke mechanismen. De volgende mechanismen van kennisonrechtvaardigheid werden in het onderzoeks-materiaal vastgesteld:
• Omdraaiing van perspectief (de NSB krijgt de schuld van daden die in feite door de Duitsers geïnitieerd zijn)
• (Niet)-getalsmatige pseudo-statistiek (riskante inschattingen die tot te stellige oordelen leiden)
• Niet-kwantificeerbare grootheden (uitspraken als "sommige", "enkele", "veel" die zonder specifieke cijfermatige aanduiding betekenisloos zijn, maar in het onderzoeksmateriaal een ponerende rol krijgen)
• Deel-geheel conversie (daden van enkelen worden toegeschreven aan totale sociale categorieën)
• Verworpen, maar toch gepubliceerde toetsingen
• Verdergaande beschuldiging dan uit de bronnen afleidbaar is
• Onjuist verwerkte bronnen
• Kritiekloze recursieve verwijzing (als auteurs zich kritiekloos beroepen op auteurs die hen voorgegaan zijn dan neemt het effect bij iedere generatie toe)
Het heeft geen zin de mechanismen van de indicator kennisonrechtvaardigheid hier in kwantitatieve zin te tellen. Wel kan in dit geval van meer of minder gesproken worden. Het betreffen hier immers geen niet-kwantificeerbare grootheden. De hoofdstukken waarin de verschillende tekstbronnen zijn geanalyseerd kunnen geraadpleegd worden voor een indicatie van de omvang waarin bepaalde indicatoren aan de orde zijn. Gesteld kan worden dat de indicator kennisonrechtvaardigheid in de onderzochte literatuur ruimschoots en structureel aanwezig is. Hij bepaalt de algemene ongunstige beeldvorming ten aanzien van NSB en NSB'ers. Waar hier over NSB of NSB'ers gesproken wordt, is bedoeld de Mussert-meerderheidsfractie die circa 92% van de Nederlandse nationaalsocialisten omvatte.
De indicator kennisonrechtvaardigheid is in zijn verschillende mechanismen zodanig voorhanden in het bestudeerde materiaal, dat besloten kan worden tot een bevestiging van de onderzoekshypothesen. Als resultaat van dit onderzoek kunnen de onderzoekshypothesen; zie hoofdstuk 1 (Theoretisch kader en opzet van het onderzoek) de status van plausibele wetmatigheden krijgen.
wetmatigheid 1: Het rechtsoordeel en de schuld van de zware veroordelingsgevallen in de Bijzondere Rechtspleging is maatschap-pelijk geprojecteerd op de totale sociale categorie Nederlandse nationaal-socialisten.
wetmatigheid 2: Deze projectie bestaat uit toewijzing van racisme en bestrafbaar Duits bezettingsbeleid aan de totale sociale categorie Nederlandse nationaal-socialisten.
wetmatigheid 3: Deze projectie wordt gekenmerkt door ongunstige stereotypering.
Het resultaat van het onderzoek is dat besloten kan worden tot kennisonrechtvaardigheid en ongunstige stereotypering ten aanzien van NSB en NSB'ers. Deze kennisonrechtvaardigheid en ongunstige stereotypering geldt niet alleen voor geschriften van degenen die geen nazaat van Nederlandse nationaalsocialisten zijn, maar ook voor de geschriften van degenen die juist wel familiale verbindingen met de voormalige collaborateurs hadden. Niet alle details van historische feituitspraken zijn in de Nederlandse geschiedschrijving goed nagetrokken. De NSB wordt in verband gebracht met traumatische onderdelen van de oorlogsgeschiedenis die onjuist blijken te zijn, en die alleen maar verder kunnen bijdragen aan het heersende cultureelpolitieke klimaat dat door de standaardgeschiedschrijving ten aanzien van de collaboratie tot stand is gebracht.
De conclusies leiden ook tot inhoudelijk geschiedkundig inzicht: de navolgende tendensen in en ten aanzien van het optreden van de Mussert-meerderheids-fractie (circa 92% van de Nederlandse nationaal-socialisten) kunnen geconstateerd worden:
1 De achterban van de NSB was structureel niet gericht op deportatie van joden. Het antisemitisme van de NSB was gematigd en week niet af van die onder de Nederlandse bevolking in het algemeen. Dit gematigde antisemitisme was niet gericht op vernietiging.
2 Er was sprake van integriteit en ethiek in het politieke denkkader van Mussert en de NSB.
3 Deze gerichtheid is consistent met het gegeven dat meer dan negentig procent van de geïnterneerden na de zomer van 1946 als ‘licht geval’ feitelijk ontslagen werd van rechtsvervolging of procedureel veroordeeld voor de tijd van het voorarrest.
4 De in de bestaande geschiedkundige onderzoeken genoemde voorbeelden van uitspraken van individuele NSB'ers over deportatie van joden uit Nederland kunnen als structureel afwijkend van de normale distributie worden opgevat. Ze zijn niet kenmerkend voor de algemene politieke lijn van de NSB en van de NSB'ers.
5 Van uitspraken op dit terrein in interne bladen of in de openbare pers van de NSB, kan niet met zekerheid vastgesteld worden dat dit 'eigen' uitspraken van de NSB waren. De persinvloed van de bezetter strekte zich ook diepgaand over de NSB uit.
6 Het gebruikte geweld van de Weer-Afdelingen (WA) van de NSB was niet structureel maar incidenteel en kleinschalig.
7 Er is sprake van pogingen tot interorganisationele ruiltransacties met de bezetter, die door de opstelling van de bezetter niet werden gehonoreerd, maar veelal in hun tegendeel werden omgedraaid.
8 Er is vermoedelijk structureel sprake van aanvaardbaar gedrag bij de NSB-burgemeesters.
9 De op de Nederlandse nationaalsocialisten toegepaste Bijzondere Rechtspleging werd gekenmerkt door een beperkt rechtsgevoel en door een beperkte behoefte aan rechtsvinding.
10 In de naoorlogse behandeling van de Nederlandse nationaalsocialisten was sprake van schendingen van mensenrechten op het terrein van de rechtspraak en van de structurele en persoonlijke behandeling.
De maatschappelijke uitgebreidheid van de wetmatigheden:
Het gaat bij het gekozen onderzoeksmateriaal om in het algemeen positief gerecenseerde geschiedkundige, sociologische, essayistische en literaire werken. In de vorm van (enkele) proefschriften zijn ze toegelaten tot het wetenschappelijke circuit. Van enige vorm van onthulling van kennisonrechtvaardigheid of van ongunstige stereotypering ten aanzien van de Nederlandse nationaalsocialisten is geen sprake geweest.
De conclusie is dan ook, dat voor de Nederlandse samenleving in het algemeen besloten kan worden tot het functioneren van de drie hierboven geformuleerde wetmatigheden. Er is in Nederland sprake van structurele kennisonrechtvaardigheid en van ongunstige stereotypering ten aanzien van NSB en NSB'ers.
In de afgelopen 75 jaar is er geen sprake geweest van openbare gezaghebbende wijziging van de gangbare opvattingen op dit specifieke gebied. In termen van Fricker betreft het zowel getuigende als hermeneutische kennisonrechtvaardigheid. Ten aanzien van de hermeneutische kennisonrechtvaardigheid betreft het een gereïficeerd bestanddeel in een non-reflectieve laag van het maatschappelijke bewustzijn.
Het onderzoek Kritische Beschouwingen Over Collaboratie wijst in de richting van een genuanceerder visie op NSB en NSB'ers dan tot nu toe het geval is geweest in de Nederlandse geschiedschrijving.