Spreken en beluisteren van gesproken vreemde talen gaat mij behoorlijk slecht af. Ik kan op vakgebied wel een betoogje construeren, maar het blinkt nooit uit. Duits gesproken films kan ik misschien voor 40% of 50% verstaan. Het overkomt me ook regelmatig dat ik de lijn niet kan blijven volgen. Voor het Engels is dat percentage misschien 50%. Frans -als heel duidelijk uitgesproken- versta ik minder dan 30%. Het overkomt mij regelmatig dat ik de lijn van het betoog niet kan blijven volgen. De stukken die ik in het Nederlands schrijf vinden mijn lezers over het algemeen abstract en moeilijk te lezen. Ik heb wel mijn academische gewoonten op dit terrein, die me bevallen omdat ze samengaan met een behoefte aan precisie die ik van belang acht. Of ik dezelfde teksten direct in Duits, Frans of Engels zou kunnen schrijven staat allerminst vast. Eigenlijk niet dus. Ik zou permanent een woordenboek nodig hebben om dergelijke stukken te kunnen schrijven. De achterliggende oorzaak voor dit onbegrip is het chaotische karakter van de natuurlijke talen.
De Europese idee dat het Engels als goede internationale gebruikstaal binnen de EU zou kunnen functioneren is een fictie. Degenen die op politiek of organisatorisch niveau goed Engels spreken, zijn Engelsgeboortig of hebben vrijwel altijd een (vaak langdurige) stage- of werkperiode in een Engelssprekend land achter de rug. De gemiddelde EU-burger spreekt enkele woorden Engels, maar kan zich niet goed van deze taal bedienen. In de 18e en 19e eeuw kwam het idee van kunsttalen op, met het doel internationale communicatie te vereenvoudigen. Het Esperanto heeft het als internationale hulptaal nog het verst geschopt. Er zijn enkele miljoenen mensen mee bezig geweest. Maar nu is het weer uit. En dat is ook niet zo onbegrijpelijk: Esperanto is weliswaar eenvoudig van opzet, maar het bevat ook grammaticale elementen, die ontleent zijn aan onder meer het Latijn. Deze elementen geven het Esperanto het karakter van een volledige, echte taal. Dit geeft het ook een zeker moeilijk en intellectueel karakter. Desalniettemin is Esperanto een grammatikaal heel wat eenvoudiger taal dan welke Europese natuurlijke taal dan ook. Dat is een reden om er mee bezig te kunnen zijn. De mogelijkheid van een "SEN-NACIA TUTMONDA LINGVO" is nu onder druk van steeds ingewikkelder wordende internationale verhoudingen aantrekkelijker dan ooit.
Om te kunnen vertalen moet men de twee talen waarom het gaat, beide kennen! En aangezien ik Engels noch Frans of Duits echt goed beheers, ben ik afhankelijk van bemiddelende personen, instituten of machines, die voor mij vertalen. Personen en instituten zijn te duur en machines of algoritmes zijn eveneens te duur voor de gemiddelde Europeaan. In het geval van goedkoop zijn ze te weinig toegerust voor de specifieke problemen van mijn tekst. Het goed leren van Engels zou een optie kunnen zijn, maar er blijft altijd een gebruiksachterstand ten opzichte van geboortige Engelssprekenden. Dat bevat ook een machtsfactor die mij stoort. Verder is woordenschat en grammatica van het Engels chaotisch en dus onvoorspelbaar.
Ik stuitte overigens ook in het Esperanto op een aantal problemen. Namelijk, het gebruik van extra letters zoals ĉ, ĝ, ĵ, ĥ, ŝ en ŭ voor allerlei voor mij exotische (vermoedelijk van oorsprong slavische) klanken. Er bestaan momenteel geen computertoetsenborden die een eenvoudig gebruik van dergelijke letters mogelijk maken. Dat betekent altijd een enorm tijdverlies bij het typen. Esperanto kent daarmee veel opeenhopingen van allerlei sisklanken gekombineerd met t's en d's: het betreft voor mij soms moeilijk uit te spreken constructies, waarvan ook de foneemwaarde discutabel is. Het Esperanto gebruikt voor de meervoudsvormen de toevoeging van de letter -j- na de -o- en -a- uitgangen van zelfstandige naamwoorden respectievelijk bijvoegelijke naamwoorden. Dan kan je zelfs constructies krijgen als: grandajn belajn eksperimentojn. In de periode na 1900 kwam er uit de toenmalige Esperanto-achterban de nodige kritiek en er werd de behoefte uitgesproken om tot een hervorming te komen. Er werd een delegatie gevormd die ook enkele linguisten bevatte. Deze delegatie kwam in 1907 tot een aantal voorstellen. In eerste instantie kwam dit neer op een afschaffing van de vreemde letters, dus terug naar een minimumalfabet zonder diakritische tekens. Vervolgens werd de meervoudsvorm -j- afgeschaft. De meervoudsvorming zou zichtbaar worden in de zelfstandige naamwoorden, die in enkelvoud op -o- bleven eindigen, maar in het meervoud op -i-, zoals in het Latijn. De bijvoeglijke naamwoorden zouden alleen nog eindigen op -a-. Ook kwamen er voorstellen om de 'mal'-woorden (goed=bona; slecht=malbona) te vervangen door eigen woorden. Goed bleef 'bona' maar slecht werd 'mala'. Omdat in het Esperanto de infinitieven van werkwoorden op -i eindigen, en dit in de hervormingen ook toeviel aan de meervoudsvorm van zelfstandige naamwoorden, stelde de delegatie voor de eindklank van de infinitieven van de werkwoorden te veranderen in -ar.
Deze hervormingen werden door een meerderheid van de toenmalige Esperantobeweging afgewezen. Men bleef zich baseren op de oorspronkelijke voorstellen. Een en ander had een scheuring tot gevolg, die leidde tot oprichting van de IDO-beweging, die de nieuwe hervormingsvoorstellen ging gebruiken. De naam IDO zou afkomstig kunnen zijn van het achtervoegsel van 'esperantido', wat zoveel betekent als kind van of dialekt van het Esperanto. Het IDO hanteerde aanvankelijk de Esperanto woordenlijst, en in veel gevallen bleef dat ook de gewoonte, maar de woorden met vreemde letters, waarvan er nogal wat waren in het Esperanto, werden vervangen door nieuwe IDO-woorden. De wijzigingen van de IDO-delegatie (waaronder de Deense linguist Jespersen, die later de voorlopers van kunsttaal Interlingua zou ontwikkelen) hadden tot gevolg, dat het idioom van het Esperanto gekenmerkt door de vele (regelmatige) -aj, -oj woordeinden, wijzigde in de richting van een meer romaans idioom. Uit de uitgebreide woordenboeken van het IDO (van en naar Engels en Duits b.v.) komt overigens wel heel duidelijk naar voren dat het IDO zelf een eigen woordenschat heeft proberen te ontwikkelen, die sterk het romaanse karakter van het IDO benadrukt. Het wordt toch een beetje Frans-, Italiaans-, Spaansachtig, en het heeft verwantschap met het Latino Sine Flexione van Peano.
Ik maakte een digitale vertaling van Nederlands naar Esperanto van een artikel. Digitale vertalingen zijn nooit zonder fouten. Mijn vertaling bevatte voor mij als half-esperantist vermoedelijk niet goed te bespeuren fouten. Daarom besloot ik om in navolging van het IDO alle diakritische letters te gaan vermijden, en over te gaan tot een vereenvoudigd Esperanto. Een aantal voorstellen van het IDO waren immers helemaal niet zo gek. Ik ga er zelfs van uit dat als een deel van de IDO-voorstellen was overgenomen, het Esperanto misschien een belangrijker internationale rol had kunnen gaan spelen dan het nu gekregen heeft.
Een onderdeel van de Esperanto-grammatica zijn de deelwoorden. Dit taalverschijnsel komt uit het Latijn. Het gaat om bewerkingen die op de werkwoorden worden toegepast. Dit leidt ook in het Esperanto tot vele vormen van deelwoorden, die zowel als werkwoord, maar ook als bijvoegelijk naamwoord gebruikt kunnen worden. In het Nederlands kennen we maar enkele deelwoorden, namelijk het voltooid deelwoord (ik heb gelopen) en het tegenwoordig deelwoord (lopend). Het Esperanto is op dit punt een soort Neo-Latijnse opvolger geworden, die wel veel regelmatiger in zijn grammatica is, maar in het dagelijks taalgebruik behoorlijk complex. Hieronder enkele voorbeelden: "Hij is bezig met schrijven" wordt vertaald als "il estas skribanta" Hij is juist klaar met schrijven = Il estas skribinta Hij stond op het punt om te schrijven = Il estis skribonta De brief wordt geschreven = La letero estas skribata De brief zal op het punt staan geschreven te worden= La letero estos skribitos Hij zou schrijven = li estus skribanta De brief zou geschreven worden = La letero estus skribata.
Het zal duidelijk zijn dat we met dergelijke constructies terug in het intellectuele renaissancistische Latijn zijn. In het Nederlands hebben we op dit punt nog maar enkele vormen behouden, zoals boven al aangegeven. Deze taalvormen worden in moderne natuurlijke talen veelal omschreven met behulp van koppel- of hulpwerkwoorden. Ik vind dit aspect van het Esperanto (en IDO) achterhaald. Overigens kent het Esperanto niet ons voltooid deelwoord. Daarvoor wordt alleen de onvoltooid verleden tijd gebruikt (ik heb gezien = mi vidis). Het zou veel handiger zijn om maar twee deelwoorden aan te houden (komprenata=begrepen, komprenanta=begrijpend) en om ze voornamelijk in contexten te plaatsen met hulp- of koppelwerkwoorden.
Er is nog een onderdeel dat van belang is: het agglutinerende (aaneenlijmend) karakter van deze kunsttalen. Juist dit aspect dat tot uitdrukking komt in de mogelijkheid van lange aaneengeschakelde woorden, is vermoedelijk afgeleid van Latijn en Duits. Maar primair is het een intellectuele taalvorming, die uitdrukkelijk bij de upperclass cultuur hoort. Het is een behoefte aan ingewikkeldheid die niet op zijn plaats is in een zo breed mogelijk toegankelijke kunsttaal. Wat mij voor ogen staat is een kunsttaal die weinig agglutinerend zou moeten zijn. De oervaders van Esperanto en Ido hebben er echte talen van willen maken. Dat komt in de ontwikkeling van Interlingue en Novial, voorgangers van het Interlingua ook uitdrukkelijk naar voren. En daarom duurde het toch nog wel lang voordat beoefenaars deze talen konden spreken en gebruiken. Ik vermoed dat de spreektaal van de kunsttalen veel eenvoudiger was, dan de schrijftaal. Ook van belang is dat een kunsttaal langzaam en duidelijk gearticuleerd gesproken wordt. Woorden moeten van elkaar losgemaakt worden. Dit aspect ontbreekt in de praktijk van het Esperanto, dat hier en daar op het internet te beluisteren is. In het IDO wordt dit aspect wel benadrukt, maar of het in de praktijk werd/wordt beoefend is mij niet bekend.
Esperanto en IDO kennen veel voor- en achtervoegsels, waarmee de semantische betekenis van woorden wijzigt. Een voorbeeld: de toevoeging -an aan het zelfstandig naamwoord "klubo" (stam "klub") in het Esperanto verbuigt de stam semantisch naar: deelnemer aan een club of vereniging (klubano). In dit geval is het woord 'klub' heel kort en levert 'klubano' misschien nog weinig begripsproblemen op. Zodra de stam wat uitgebreider wordt, bijvoorbeeld 'unuiĝo' (vereniging) wordt het geagglutineerde geheel al wat onduidelijker, namelijk "unuiĝano'. Beter zou het zijn hier te stellen: 'ano de klubo' of 'ano de unuiĝo'. Dit laatste woord 'unuiĝo' is overigens op zich alweer aaneengelijmd. In de natuurlijke talen hebben achtervoegsels (in het Nederlands b.v. '-lijk', '-baar') altijd een taalhistorische achtergrond, die ze enigszins begrijpelijk maakt. In de kunsttalen krijgen de voor- of achtervoegsels een zekere mate van toeval of oneigenlijkheid.
Immers, waarom zou het achtervoegsel '-an' in het Esperanto en IDO 'lid van' betekenen? Dit geldt voor alle voorvoegsels, zoals b.v. 'bo-' (verwantschap); 'dis-' (verspreiding); 'ek-' (begin van handeling); 'eks-' (vroegere); 'fi-' (ongunstige eigenschap); 'ge-' (vereniging van geslachten); 'mal-' (tegengesteld); 'mis-' (fout); 'pra-' (zeer oud); 're-' (opnieuw). Hetzelfde geldt voor de vele achtervoegsels: '-ad' (duur of herhaling ); '-aĵ ' (dingen, uitingen van gevoelens); '-an' zie boven klubano; enzovoorts. Misschien kunnen de pre- en suffixen in het algemene taalgebruik beter omschreven worden, zoals boven al aangegeven.
Europa heeft een gemeenschappelijke taal nodig. En dat is niet het Engels, want dat is de moedertaal van de Angelsaksische volkeren. Verder heeft het Engels niet een algemeen rationele en toegankelijke grammatica, en is het door zijn historische ontwikkeling chaotisch van karakter. Europa heeft een kunsttaal nodig. Europa heeft wat dit betreft al een behoorlijke geschiedenis, zoals boven uitgebreid aangegeven.
De al gerealiseerde kunsttalen (Esperanto, Ido, Interlingua) zijn op zich interessante pogingen om tot zo'n kunsttaal te komen. Laten we ze beschouwen als pogingen die wetenschappelijk linguistisch onderzoek zouden kunnen stimuleren in de richting van een werkelijk bruikbare Europese taal, die gekenmerkt wordt door eenvoud en uitspreekbaarheid.