De sociologie die ik ooit studeerde bleef een tamelijk afstandelijk abstracte deelwetenschap, die mij weliswaar veel globaal inzicht heeft gegeven, maar die niet direct heeft bijgedragen aan mijn politieke visie. Bij de sociologie hoorde het functionalisme van Parsons en Merton. Verder voelde ik een grote aantrekkingskracht uitgaan van de naoorlogse fenomenologisch-sociologische opvattingen van de Franse socioloog George Gurvitch, die van mening was dat de sociologie zijn beginpunt vond in de theorieen van Proudhon en Marx. Uiteraard nam ik ook kennis van de opvattingen van de Frankfurter Schule, de Kritische Theorie. Dit betrof voornamelijk sociaal-filosofische denkbeelden. De achterliggende kapitalismekritiek heeft desalniettemin invloed op mij gehad. Tegelijk bleef ik een skeptische en systematische socioloog. Het was meer de sociaal-politieke context die bijdroeg aan mijn politieke inzicht. Tot die context behoorde onder meer het lezen en kennisnemen van de politieke klassieken uit de 18e en 19e eeuw.
In 1958 was ik 20 jaar. Ik had wat vertraging opgelopen op de middelbare school, zodat uitstel van dienstplicht niet meer mogelijk was. In die dienstplichtperiode werd ik onderofficier. Ik had in die tijd nog geen uitgesproken politieke opvattingen. Toen voelde ik mij niet specifiek pacifist. Pas later, in de tijd dat ik ging studeren, ontwikkelde ik een anti-oorlog-attitude.
Essentieel in de bepaling van mijn houding tegenover oorlog was de afloop van de Tweede Wereldoorlog met zijn (onterechte) bestraffing van het merendeel van degenen die tijdens de oorlog de kant van de bezetter kozen. Als kind van Nederlandse nationaalsocialisten ervoer ik een moeilijke toegang tot de openbare politiek. Ik koos voor een pacifistische opstelling. Het idee van een geweldloze communicatie is aantrekkelijk, maar zonder machtsvorming is het handhaven van een positie moeilijk. Ook geweldloze weerbaarheid berust op machtsvorming: geweldloze machtsvorming, maar die vereist wel een collectieve inzet.
Ik werd lid van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP). Deze partij ging aan het eind van de jaren 1980 op in GroenLinks. Het socialisme van de PSP kon weliswaar een vrijheidlievend socialisme genoemd worden, maar het was geen skeptisch denken. Het sterk militante anti-fascisme binnen de PSP maakte het voor mij (als kind-van-'foute'-ouders) heel moeilijk om mij daar politiek veilig te voelen, en dat is niet afgenomen na de fusie tot GroenLinks. Dat is dan ook de reden geweest dat ik mij aan het eind van de jaren 1990 uit die laatste politieke groepering terugtrok. Behoefte om van een andere partij lid te worden is niet teruggekomen. Ik kreeg het te druk met "Kritische Beschouwingen Over Collaboratie".
Ik ontwikkelde een modern, rationeel, godsdienstkritisch, vrijheidlievend, maar democratisch socialistische opvatting, met belangstelling voor Pierre Joseph Proudhon, die mede het vakbondswezen heeft bedacht en opgezet. In Frankrijk en Spanje heeft dat aanleiding gegeven tot de vorming van het syndicalisme en daarnaast tot de idee van radensamenlevingen. Het ging daarbij steeds om machtsinitiatieven van onderaf, die in kleine eenheden (gemeenten, fabrieken) opereerden en die federatief communiceerden met hun nevenraden. Denk hierbij ook aan de Russische sowjets (raden), die onder de 'dictatuur van het proletariaat' opgebouwd konden worden van onderaf. Het gaat hier om anarchistische modellen die opgenomen werden in communistische organisatievormen. Dit stelsel verwerd echter al snel tot een omgedraaid hierarchisch top-down systeem (Lenin, Stalin, Mao).
Recent zijn op dit terrein weer denkbeelden ontwikkeld door onder meer Isabelle Ferreras in de publicatie "Democratiseer ons werk! Pleidooi voor een reorganisatie van de economie" (zonder ISBN; uitgave Starfishbooks; zie WWW.STARFISHBOOKS.ORG). Men pleit hier voor de invoering op Europees niveau van ondernemingsraden die de machtsverhouding kapitaal-arbeid gelijkelijk verdelen.
De kern van de kritische maatschappij-ideeen is, dat de welvaart in de mensenwereld aan allen toebehoort, en niet aan vermogende enkelingen. Ik ben van mening, dat dit een directe rationele voortzetting is van het 18e eeuwse Verlichtingsdenken. Tegenover de ideeen van Marx, kende het vrijheidlievende denken echter ook een centrale plaats toe aan het individu en het individuele denken. Het denkende subject is de creatieve bron van welvaart en toekomstige ontwikkeling.
Dit vrijheidlievende denken staat ook oppositioneel tegenover het liberale denken. Het liberale denken ziet het individu weliswaar als ondernemend centrum, maar wil niet zien, dat dit ondernemende centrum zonder de werkzame kracht van arbeid vruchteloos is. De ondernemer zelf is een arbeider. De gedachte dat de ondernemer een vermogenseenheid zou zijn, is ook in de 21e eeuw een nog breed bestaand, maar te bekritiseren visie. Deze kritiek treffen we ook in het marxisme. Maar het marxisme is een abstract systematisch en structureel denken, dat geen plaats toekent aan het creatieve individu.
We leven in massa-maatschappijen van miljarden subjecten, en het gaat daarin primair om de vraag hoe het individu, het subject, zich zo creatief mogelijk kan ontplooien in een zo horizontaal mogelijke machtsverdeling. Dit vraagt om het zo direct mogelijk afbreken van niet-democratisch opgebouwde hierarchische lijnen in de massa-samenlevingen. Dat betekent het beeindigen van markt- en beursdenken. Het betekent het tot stand brengen van democratische economie. Het betekent politiek gestuurde, democratische plan-economie, die menselijke creativiteit niet inperkt, maar die uitsluitend struktureel via democratische politiek investeert.