HANS ANKER EN DE NIET AFLATENDE SCHULD AAN WOII

Er verscheen een opmerkelijk boek: Burgemeester in oorlogstijd - de strijd in de naoorlogse tribunalen. Het werd geschreven door Hans Anker; kwam uit bij Cossee Amsterdam in 2025 en kreeg ISBN 978-94-6452249-5.

Deze titel verwijst uitdrukkelijk naar een bijna identieke titel van Peter Romijn "Burgemeesters in Oorlogstijd - Besturen onder Duitse bezetting" 2006; Uitgeverij Balans; ISBN 90-5018-771-4. De ontbrekende 's' geeft Anker de mogelijkheid om 367 pagina's te wijden aan één van die categorie mensen die zich tijdens de jaren 1940-1945 in de moeilijke positie bevond van het burgemeesterschap in een bezettingsperiode.

De belangrijkste bron van Ankers' onderzoek is een ongedateerde "licht bollende bruine envelop" waarop in het handschrift van de vader van Hans Anker (Adriaan Anker) staat geschreven "Geval Kleppe". Het bevat een bundeltje bladen waaronder een brief van vader Anker aan de commissaris van de Koningin in Middelburg. Het betreft rapporten opgemaakt door de leden van het personeel van de gemeente Sint Philipsland over de "houding" van burgemeester H.P.Kleppe tijdens de bezetting.

In het kader van mijn Kritische Beschouwingen Over Collaboratie valt de titel van dit boek direct op: het kan bijna niet ontbreken dat het zal gaan over de NSB en over de Nederlandse-SS. Het krijgt daarmee direct mijn belangstelling.

Ik ga niet in op het geval "burgemeester Kleppe". Hij was geen lid van NSB of Nederlandse SS. Het gaat mij in eerste instantie om de beeldvorming ten aanzien van de collaboratie in het algemeen. De toon van het betoog van zoon Anker (Hans Anker) is tamelijk neutraal. Er wordt niet in negatief stereotyperende termen over collaborateurs gesproken, zoals we dat bij TeSlaa/Klijn hebben aangetroffen. Desalniettemin blijft de toon ten aanzien van de NSB afgemeten maar wel veroordelend. Op p. 58 stelt Anker:"Elke daad die ook maar riekt naar verzet, hoe gering ook, wordt direct door [de leider van de Zeeuwse NSB] en andere NSB-klikspanen gerapporteerd en doorgespeeld aan de provincie. Gezien het bescheiden ledental van de beweging - een luttele half procent van de Zeeuwse bevolking - reikt de invloed van de NSB daarmee onevenredig ver". Dat ook zijn vader een "klikspaan" was speelt voor de auteur geen rol.

Op p. 51 schrijft Anker:"De rijkscommissaris [Seyss-Inquart] weet dat hij niet uitsluitend kan leunen op de Nederlandse nationaalsocialisten. Daarvoor geniet de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) te weinig draagvlak, en beschikt zij over te weinig kandidaten voor hogere posities". Anker gaat niet in op het gegeven dat de NSB in het eerste bezettingsjaar geen enkele rol speelde in de scenario's van de bezetter. Ankers' gedachte dat de invloed van de NSB onevenredig ver reikte (zie boven), is historisch onjuist. Gedurende de totale bezettingsperiode heeft de NSB geen belangrijke rol kunnen spelen. De daad van de bezetter om in september 1940 de Nederlandse-SS op te richten en die onder te brengen in de NSB, zonder daarbij rekening te houden met de afweer van Anton Mussert, speelt ook een belangrijke rol. Anker stelt op p. 63:"...Kleppe [hoeft], in tegenstelling tot veel van zijn collega's, zich geen zorgen te maken over NSB-pottenkijkers. Bij de laatste vrije en eerlijke Tweede Kamerverkiezingen in 1937 stemden in de gemeente Sint Philipsland welgeteld elf kiezers op de NSB, op een totaal van ruim duizend uitgebrachte stemmen".

Uit de tegenstellingen die afleidbaar zijn uit de drie bovengenoemde uitspraken van Anker over de rol van de NSB volgt, dat Anker (politicoloog) weliswaar een neutrale toon aanslaat in zijn analyse van het verleden, maar dat dat hij tegelijkertijd onjuistheden creeert in het historische perspectief dat hij probeert te schetsen.

Anker spreekt ook over de benoeming van burgemeesters. Op p. 70 stelt hij:"Binnen een jaar [...] heeft Seys-Inquart de volledige controle over het benoemingsbeleid van alle burgemeesters veroverd. Voortaan worden alleen nog NSB-sympathisanten benoemd". Uit Burgemeesters In Oorlogstijd van Peter Romijn, is af te leiden dat aan het eind van de bezetting op 916 burgemeesters er ondertussen 345 NSB-burgemeesters waren benoemd, en dat voornamelijk in kleinere gemeentes. We kunnen hieruit afleiden, dat aan het eind van de bezetting tweederde van de zittende vooroorlogse burgemeesters nog functioneerden. Dit soort nuancerende gegevens verstrekt Anker ons niet.

Anker geeft een uitgebreid overzicht van de "zuivering" onder ambtenaren na de bezetting. Daarbij gaat hij ook in op de Bijzondere Rechtspleging in Nederland na de bezetting. Dit betreft, stelt hij, wetgeving die met terugwerkende kracht tot uitvoering werd gebracht. Dat is in strijd met het Nederlandse rechtsdenken, stelt hij. Dat het hier gaat om schendingen van mensenrechten komt echter bij Anker niet aan de orde. Dit gegeven blijkt ook uit de manier waarop Anker omgaat met de grote groep Nederlandse nationaalsocialisten die zonder enige rechtspraak uit de naoorlogse concentratiekampen zijn ontslagen (in: De Omdraaiing Van Het Schuldperspectief (2019) heb ik dit aantal geschat op 36,5% op 100.000 geinterneerden). Op p. 209 stelt hij:"De [...] denkwijze krijgt haar beslag in het Besluit Politieke Delinquenten (F 244) van 26 oktober 1945, dat de mogelijkheid creëert om zaken buiten de rechtzitting af te doen". Het gaat dan om "...[m]ensen die enkel lid zijn geweest van de NSB en verder niets te verwijten valt, arbeiders die puur voor het geld in Duitsland hebben gewerkt en daar spijt over hebben betuigd, liefjes van Duitse soldaten, boeren die voor een extra zakcent met paard en wagen hand-en-spandiensten voor de Wehrmacht hebben verricht, vrouwen die aardappels hebben geschild voor Duitse soldaten, en vele duizenden andere lichte gevallen...". Hij voegt er aan toe:"...zij lopen plotseling, vaak tot hun eigen stomme verbazing, als vrij man of vrouw de kampen uit". Voor deze "verbazing" geeft Anker geen bron. Hij gaat ook niet in op de vraag wie indertijd dergelijke ontslagbesluiten genomen hebben. En, nog belangrijker, hij voegt een noot (nr.122) toe die luidt:"[...] Vele mensen die de kampen op deze manier verlaten, verkeren vaak ten onrechte in de veronderstelling dat zij zijn vrijgesproken of anderszins onschuldig zijn verklaard. Dat is in de meeste gevallen niet juist: buitenvervolgingstelling betekent enkel dat er geen verdere vervolging meer zal plaatsvinden, het is geen bewijs van onschuld. Dit onderscheid is zelfs vele decennia na de oorlog nog in de rechtszaal aan de orde geweest (rolnummer KG 1999/441)".

De onzindelijke Bijzondere Rechtspleging (notabene: rechtspleging met terugwerkende kracht) is in de kringen van het "verzet" en daarmee in alle naoorlogse maatschappelijke verhoudingen duurzaam blijven doorklinken. Het boek van Anker zelf is daar ook een voorbeeld van. Echter, uit de toon van zijn uiteenzetting, en uit het gegeven dat ook Anker van mening is, dat het niet gaat om het zoeken naar gemaakte fouten, maar om het zoeken naar degenen die fout waren, kan afgeleid worden, dat Anker zelf geen kritische kanttekeningen plaatst bij de "bijzondere" strafwetgeving. Het gegeven dat er ongrondwettelijk een strafwetgeving kon onstaan voor een "bijzondere" categorie in de samenleving (discriminatie dus), geeft Anker opnieuw geen aanleiding om te denken in termen van schendingen van mensenrechten. Een en ander houdt ook verband met de recente onverkwikkelijke openbaarmaking van het CABR.

Anker spreekt overigens niet over het onbestraft blijven van de collaboratie in de vorm van het ondertekenen van de arierverklaring door (vrijwel alle) 225.681 Nederlandse ambtenaren (L.de Jong deel 4/2 p.725) .

Ondanks het feit dat er rechtspleging heeft plaatsgevonden, komt het betoog van Anker erop neer dat er nog steeds een mogelijk schuldige categorie Nederlandse nationaalsocialisten is. Over verjaring wordt in dit geval niet gesproken. Anker verwijst naar het Besluit Politieke Delinquenten (F 244) van 26 oktober 1945 (onder de Nederlandse wetgeving op het internet aanwezig als: Besluit Politieke Delinquenten 1945 - met de toevoeging BWBR 0002015). Hij stelt dat dit Besluit de mogelijkheid creeerde om zaken buiten de rechtzitting af te doen. Dit zou dan afgeleid kunnen worden uit het gegeven dat de invrijheidsstelling werd vastgesteld "door of vanwege" de procureur-fiscaal bij het Bijzondere Gerechtshof. Echter, wie dan ook zo'n besluit nam, de verantwoordelijkheid lag steeds bij de procureur-fiscaal.

Uit de weinige beschikbare gegevens (zie Belinfante: In Plaats Van Bijltjesdag - 1978; en Kampman: De Omdraaing Van Het Schuldperspectief - 2019) kan niet afgeleid worden dat degenen die op vrije voeten werden gesteld, struktureel alsnog voor de rechter zijn verschenen. Op het moment van de invrijheidsstelling (voorwaardelijk of onvoorwaardelijk) had nog geen behandeling door Tribunaal of Bijzonder Gerechtshof plaatsgevonden. Ook de geinterneerde nationaalsocialisten waren onschuldig zolang hun schuld niet bewezen was.